Verkenning#

Wanneer je een ontwerp presenteert is het altijd de vraag: had het ook anders gekund? En was dat misschien beter geweest? Hoe weten we dat het basisidee achter dit ontwerp het meest kansrijk, toepasselijk, of anderszins het ‘beste’ is?

In een hoofdstuk met als titel ‘Verkenning’, ‘Oplossingsrichting’, of ‘Conceptontwerp’, onderbouw je de keuze voor het principe, mechanisme, of concept dat in het eindontwerp is toegepast. Meestal baseer je dit op een vergelijking tussen een set alternatieven in termen van de prestatiecriteria uit het programma van eisen.

Uit het redeneerschema: De FUNCTIE(S) kan worden uitgevoerd door ALTERNATIEVEN (mechanismen), die worden vergeleken in termen van CRITERIA en waaruit een (set van) MECHANISME(S) wordt gekozen en toegepast in het ONTWERP.

Let op: tijdens een ontwerpproject pas je ontwerpmethoden toe als middel om verder te kijken dan je neus lang is en om op goede ideeën te komen. En een docent of opdrachtgever wil meestal graag zien dat je daar je best op gedaan hebt. Maar na afloop van het project, in het argument voor het uiteindelijke ontwerpvoorstel, speelt het presenteren van een overzicht van verschillende oplossingsmogelijkheden en de vergelijking daartussen een andere rol.

In een overtuigend ontwerprapport presenteer je de resultaten van je verkenning niet om te laten zien dat je lekker creatief bezig bent geweest of om aan te tonen hoe hard je wel niet hebt gewerkt. Je presenteert een systematisch overzicht van verschillende manieren om de benodigde functies te vervullen en een vergelijking van de te verwachten prestaties daarvan om te beargumenteren waarom in het uiteindelijke ontwerpvoorstel die éne aanpak is toegepast en niet een andere. Het gaat niet om de geschiedenis, maar om de uiteindelijke onderbouwing.

Vaak presenteer je een set alternatieven op twee niveau’s:

  1. Een gestructureerd overzicht van mogelijke deeloplossingen per deelfunctie of onderdeel van het ontwerp (bijvoorbeeld in de vorm van een morfologische kaart of een ACRREx boom)
  2. Een set van (meestal 3) uitgewerkte concepten die laten zien hoe een compleet systeem eruit zou kunnen zien op basis van verschillende sets deeloplossingen

Systematisch + Divers = Compleet#

Door een systematisch overzicht van deeloplossingen en een diverse set van concepten te presenteren kun je aannemelijk maken dat de gepresenteerde verkenning relatief compleet is. En hoe completer de verkenning, hoe sterker je kunt claimen dat je uiteindelijk het meest veelbelovende, interessante, of best presterende principe hebt gekozen.

Je kunt natuurlijk niet daadwerkelijk alle mogelijkheden verkennen dus vaak maak je deze claim binnen bepaalde grenzen. Je besluit bijvoorbeeld alleen naar handmatige oplossingen te kijken, of alleen naar oplossingen die als één stuk 3D printbaar zijn. De keuze voor zo’n focus moet je dan wel beargumenteren als inkadering van jouw project of verkenning.

Wanneer je verschillende methoden hebt gebruikt om deeloplosingen te verzamelen (bijvoorbeeld een brainstormsessie én een studie van bestaande producten én bio-inspired design) dan voeg je de resultaten uit al die bronnen meestal samen in één overzicht (bijvoorbeeld allemaal samen in één morfologische kaart). Je kunt daarbij eventueel naar bijlagen verwijzen waarin je per methode een verslag van het doorlopen proces opneemt.

Feiten en waarden in de conceptkeuze#

De conceptkeuze onderbouw je meestal met een Harris profiel of een scoretabel met gewogen criteria. Dit soort keuzetabellen combineert feitelijke claims met waarde-claims.

De voorspelling van prestaties op verschillende aspecten van het ontwerp is feitelijk. Er zit vaak onzekerheid omheen maar in principe is er één enkel correct antwoord op een vragen als ‘Welk vermogen gaat dit leveren?’, ‘Hoe zwaar zal dit zijn?’, of ‘Wat zal dit gaan kosten?’. Dat is allemaal objectief meetbaar.

Met alleen maar feiten kun je echter geen keuze onderbouwen. Daarvoor moet je waarde aan die feiten hechten. En meestal hecht je meer waarde aan het ene feit dan aan het andere. De rangschikking van prestatiecriteria van meest naar minst belangrijk of voor welk percentage ze meewegen is géén feit. Hier maak je weer een waarde-claim. Natuurlijk beargumenteer je dat door naar de feiten te verwijzen, maar realiseer je dat de conceptkeuze altijd een besluit is. Een oordeel. Géén objectief en wetenschappelijk vast te stellen waarheid.